Geschillen over erfafscheiding

Indien u het niet eens bent met de door uw buren gehanteerde erfgrens tussen uw perceel en dat van hen dan kunt u zich tot de Rechter wenden. U verzoekt de rechter dan te bevelen dat de erfafscheiding verwijderd moet worden danwel dat deze moet worden verplaatst. Dit verzoek zal als grondslag hebben dat er een inbreuk wordt gemaakt op uw eigendomsrechten.

De specifieke burenrechtbepalingen in boek 5 van het Burgerlijk Wetboek bepalen dat een verzoek tot verwijdering of verplaatsing van de erfafscheiding niet zonder meer kan worden toegewezen. Deze vordering dient te worden bezien in het licht van artikel 5:54 BW. Dit wetsartikel houdt in dat de eigenaar van een erfafscheiding welke geheel of gedeeltelijk op andermans perceel staat kan vorderen dat er een erfdienstbaarheid voor het gebruik van de grond wordt verleend danwel dat hij de wederpartij schadeloos stelt. Dit schadeloos stellen zal neerkomen op het aankopen van dat deel van het perceel waarop de eigendomsinbreuk plaatsvindt. Deze vordering tot schadeloosstelling of het vestigen van een erfdienstbaarheid kan slechts ingesteld worden door de eigenaar van de erfafscheiding die door het afbreken of het verplaatsen ervan onevenredig zwaar wordt benadeeld ten opzichte van de eigenaar van het erf waarop gebouwd is indien hij de toestand handhaaft.

Indien er aldus komt vast te staan dat er sprake is van een grensoverschrijdend bouwwerk dan zal de Rechter een belangenafweging maken indien de wederpartij een beroep doet op artikel 5:54 lid 1 inhoudende dat zij onevenredig zwaar wordt benadeeld indien zij de erfafscheiding moet afbreken. De beantwoording van de vraag of de eigenaar van de erfafscheiding onevenredig veel zwaarder wordt benadeeld dan de eigenaar van het perceel zal afhankelijk zijn van alle omstandigheden van het geval. Hierbij kan rekening worden gehouden met de kosten van de erfafscheiding in verhouding met de omvang van de overschrijding en de waarde van de grond waarop de overschrijding plaatsvindt. De eigenaar van de grond kan bijvoorbeeld aanvoeren dat hij het zwaarst wordt benadeeld omdat de overschrijding van de erfgrens hem belemmerd in het uitvoeren van gewenste bouwwerken op zijn eigen perceel. De rechter zal uiteindelijk met inachtneming van deze omstandigheden de belangenafweging maken en tot een oordeel komen.

De Wet kent evenwel een uitzondering op bovengenoemde bepaling en deze is te vinden in artikel 5:54 lid 3 Burgerlijk Wetboek. Hieruit volgt dat men aan de afweging van de onevenredig zware benadeling niet toekomt indien de eigenaar van de erfafscheiding kwade trouw of grove schuld kan worden verweten. Dit zal aan de orde zijn indien kan worden aangetoond dat er willens en wetens overbouw is gepleegd. De in de Wet gebruikte termen kwade trouw en grove schuld betekenen dat er sprake moet zijn van een ernstig verwijt.

Conclusie:

Indien u geconfronteerd wordt met een situatie van overbouw kunt u primair vorderen dat deze wordt afgebroken. De Rechter zal dan, behalve indien er sprake is van kwade trouw of grove schuld, alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen en afwegen of er ruimte is voor een andere oplossing, bijvoorbeeld het vestigen van een erfdienstbaarheid danwel overdracht van de grond.

Heeft u aanvullende vragen over dit onderwerp of wenst u advies, neem dan contact op met mr. Dorena Gulpers